Ali is een Bambara, een Malinees die vorig jaar uit Timboektoe is weggevlucht voor de fundamentalistische handenafhakkers, "de Libiërs". "Wanneer precies?" "8 maart, ik weet het nog als de dag van gisteren." Hij ging met zijn gezin naar Burkina, waar hij zeer basaal werd opgevangen. Nu bewoont hij een meer permanent onderkomen in de hoofdstad.
Ali leeft bij de dag, maar dat deed hij in Mali ook al. Ik ontmoette hem gisteren na het concert bij Zaka. We raakten in gesprek over de recente ontwikkelingen in de regio, waarvan hij gedetailleerd op de hoogte bleek. Achteraf gezien logisch natuurlijk, met zo'n verhaal. Aangekomen bij mijn hotel spraken we af elkaar de volgende dag weer te zien.
Om één uur tref ik hem in de hotellobby. "Laten we lunchen", stel ik voor en ik neem hem mee naar het restaurant van Hotel Central. Daar vertelt hij verder. Dat hij een vrouw heeft en twee dochters van vijf en zeven. "Welk beroep heeft je vrouw?" Ze is nooit naar school geweest, zegt hij. Ze kan niet lezen en schrijven. "Waarom leer je haar dat niet?" Ali kan zelf ook niet lezen en schrijven. Wel spreekt hij zijn talen: Frans, Arabisch en een hele zwik stamtalen.
Hij voorzag in zijn onderhoud door elk baantje aan te nemen dat zich voordeed: toeristengids, tolk, assistent bij muziekfestivals. "Werd je gediscrimineerd door de mensen in Timboektoe?" "Nee, in het geheel niet." Hij mag nu ook werken in Burkina, al beperkt zich dat noodgedwongen tot "kopen en verkopen".
Ali is vastbesloten zijn dochters, "allebei heel intelligent", snel naar school te sturen. Al is dat wel een dure grap, met boeken en een schooluniform. Ik reken af en geef hem de rest van het geld dat ik bij me heb, omgerekend een paar tientjes. Hij bedankt me hartelijk.
Buiten nemen we afscheid.
2 maart
Geen opmerkingen:
Een reactie posten